Ken je de Indianen?

‘Mag ik iets vragen?’ Ik draai me om. In het treinzitje links van mij zit een knappe gast van rond de 30. ‘Wat voor werk doe je?’ Ik zeg dat ik in het onderwijs sta. ‘Dan moet je wel heel maatschappijkritisch zijn’. De snelle conclusie overvalt me en een nietszeggende ‘goh ja’ ontsnapt mijn mond.

Hij is maar even in België voor een familiebezoek. Daarna trekt hij opnieuw de wereld rond want hij voelt zich niet op zijn gemak in België. Meer nog, hij is kwaad op België. En eigenlijk ook op de wereld. Op de kapitalistische wereld vooral. Verder wil hij niets weten van Economie. Hij is zelfs tegen Economie. En tegen politiek.

‘Wat denk je over culturen?’ Geen idee hoe ik hierop moet antwoorden. Stel je voor dat je zo’n vraag krijgt op een examen. Daar is geen beginnen aan. Nog voor ik iets kan zeggen, antwoordt hij dat we maar beter respect hebben voor de culturele diversiteit. Vooral voor de cultuur van de Indianen. ‘Ken je de Indianen?’ Antwoorden wordt nu echt totaal overbodig. Zeker wanneer hij een paar zinnen later kwaad is op alle buitenlanders in ons land. Deze man is zo rechts als hij links is. En zo koud als hij warm is.

Nog voor hij van wal steekt over de verdwijning van individualiteit, kondigt de conducteur mijn halte aan. Ik spring recht. De voormalige knappe gast grijpt me bij de arm. Dat ik op Facebook zeker Peter Lie moet opzoeken. Ik bedank hem vriendelijk en maak me snel uit de voeten.

Op het perron kijk ik toch even op Facebook. Precies wat ik had verwacht: een omslagfoto van een panoramisch landschap waar hij als minimens tegen afsteekt. Ik ben opgelucht omdat ik niet langer in zijn buurt ben. En vooral omdat ik niet te veel heb bijgeleerd.

PS Uit respect voor de persoon in kwestie, heb ik de naam verzonnen. Het toeval wil nu dat deze verzonnen persoon ook effectief bestaat en ook echt een omslagfoto heeft met een panoramisch landschap. De populariteit ervan is simpelweg niet te overzien.

Advertenties

Helaas, ik word nooit een echte ‘foodie’

We zijn vroeg opgestaan. Belachelijk vroeg eigenlijk voor een zondag. Maar zo hoort het. Want een volmaakt zondags ontbijt begint al rond half negen en duurt zeker een uur. Dat hebben mijn vriendinnen me verteld. En aangezien ze echt wel ‘foodies’ zijn die ‘drukgelikete’ foto’s maken van gezellige eetmomenten, volg ik maar beter hun protocol.

We zitten tegenover elkaar aan tafel, mijn lief en ik. Normaal gezien doen we dat bijna nooit, zo samen ontbijten. Het gebeurt gewoon niet. Ofwel sta ik vroeg op en slaapt hij uit. Ofwel sta ik wat later op en slaapt hij uit – Jezus, hij kan werkelijk altijd uitslapen. Maar volgens mijn vriendinnen is het de gezelligste maaltijd van de dag en moet je er samen tijd voor vrijmaken.

Ik heb eitjes met spek gemaakt. Dan hebben we zeker tot de avond geen honger meer. Behalve dat het eten lekker smaakt, zegt mijn lief niets. Ik ook niet. Ik concentreer me op de maaltijd. Omdat ik altijd kaas op mijn omelet doe, moet ik moeite doen om de lange, rekbare kaasslierten keurig in mijn mond te krijgen. Af en toe valt een stukje ei van mijn vork op mijn bord en moet ik opnieuw beginnen. Dat gebeurt een paar keer tot ik plots stop.

Oh nee, denk ik. Dit gaat de verkeerde richting uit. We zijn nog geen vijf minuten ver en drie kwart van ons bord is al leeg. De tafel is op twee borden, een pan en een fles water na, praktisch leeg. Dit zou niet mogen. Hier zou een uitgebreid gamma aan beleg, een schaal met fruit, zelfgemaakte granola, een berg koffiekoeken en een pot pindakaas moeten staan. Ook zouden we boterhammen in koffie moeten dippen terwijl we elk een rubriek van de krant voor onze neus hebben. En we zouden interessante topics uit diezelfde krant moeten toelichten en naar elkaars mening moeten vragen en en en …

De paniek bereikt een hoogtepunt. ‘Zullen we dan nooit meer uitgebreid gezellig ontbijten?’ Mijn lief barst in lachen uit en zegt dat we dan alleen maar ‘fat’ zouden worden. Ik ben een beetje teleurgesteld maar begrijp het wel. Ik ruim de tafel af, zet de borden in de gootsteen en ga samen met hem in de zetel zitten. ‘Kijken we Netflix?’ vraagt hij. Waarom ook niet, denk ik. Het kan maar zo gezellig zijn. En ik zal me goed kunnen concentreren. Met koffiekoeken in mijn maag zou dat wellicht een ander verhaal zijn.

Eerlijk? Ik zie enkel een penis

penisblog def

De zaal lijkt op een gigantische living met open keuken. Koffietassen en onderbordjes staan proper gestapeld op het aanrecht. Witte plastic terrasstoelen omsluiten de scène. Ware het niet dat ik wist dat hier straks een theatervoorstelling plaatsvond, ik zou denken dat het Davidsfonds een maandelijkse bijeenkomst hield. Ook omdat de gemiddelde toeschouwer hier boven de 60 is. Onder hen zie ik vooral vrouwen. Helemaal uitgedost voor de gelegenheid. Voor het blije weerzien. Voor het ‘klapke’ en het ‘taske kaffe’. Hopelijk tolereren ze de voorstelling, denk ik heimelijk.

Mijn moeder en tante willen helemaal vooraan zitten. Ik niet. Als ik naar theater ga, wil ik een plaatsje dicht bij de uitgang zodat ik onopvallend snel kan weggaan. Je weet nooit dat er een brand uitbreekt of dat ik dringend naar het toilet moet. Ik zet me achteraan en heb van hieruit een goed overzicht over het publiek. Nu alleen nog hopen op reacties van verwarring bij gewaagde dramaturgische ingrepen.

De acteur zal een kwartier later beginnen. Tot grote ergernis van de club bomma’s. Ze raken zichtbaar geïrriteerd maar eigenlijk weet ik dat ze stil genieten. Ze praten met luide, geagiteerde stem tot plots het licht uitgaat en alles muisstil wordt.

De acteur komt op in een lange zwarte jas, een typisch Russische Sovjetmantel. Hij doet zijn schoenen uit, trekt een witte broodzak over zijn hoofd en rukt de jas van zijn lijf. Daar staat hij dan. Poedelnaakt. Veel te dicht bij het publiek waarvan de helft al snel naar de eigen voeten staart. Hier en daar hengelt een bomma naar een afkeurende blik. Ik moet mezelf tegenhouden om niet in lachen uit te barsten en beeld me in wat de acteur moet hebben gedacht toen hij de menigte vanuit de coulissen bekeek: shit dit publiek. Praktisch alleen gepensioneerden. Kill me now.

Met een aardappelmesje snijdt hij een gat onderaan de zak zodat fake bloed over zijn lijf loopt. Het druppelt langs zijn borst, op zijn penis. Tegelijkertijd slaakt hij een paar kreten, roept iets over de afgesneden bal van Hitler en opent een luik van de Russische geschiedenis. Helaas hoor ik amper wat hij zegt. Ongewild ben ik plots in een persoonlijk experiment gestapt. Ik kan alleen nog naar zijn penis kijken. Ik kan er niets aan doen, het is simpelweg het enige wat mijn aandacht trekt. Terwijl ik kijk, vraag ik me af: het zien van een penis, zonder gezicht. Doet dat iets met mij? Word ik opgewonden? Voel ik me aangevallen? Ben ik jaloers?

Vooraleer ik tot een deftige conclusie kom, verandert de scène abrupt. De acteur trekt zijn jas aan, gaat op een stoel zitten en begint haastig aan zijn monoloog. Ik ben even verward en kan me nog moeilijk focussen op de inhoud. Ik kijk rond. De bomma’s staren niet langer naar hun voeten. Ze hebben de acteur een tweede kans gegeven. Ook mijn moeder en tante lijken op hun gemak en lachen om de eerste gevatte oneliner. Opeens voel ik me opgelucht. Omdat het ongemakkelijke moment is afgelopen. En ook vooral omdat ik niet naast hen zit.

Shit, ik begin op mijn moeder te lijken!

moederdag afbeelding

“LOOP ROND HET TAPIJT, ANDERS KOMEN ER STREPEN IN! HOEVEEL KEER MOET IK DAT NU NOG ZEGGEN?!”

Ik stel u voor, mijn moeder.

Hoewel ik deze zinnen nog geregeld als een mantra in mijn achterhoofd hoor, sta ik toch versteld. Ze kijkt me aan met grote ogen die me duidelijk maken dat ik het maar beter niet vergeet. Ook al ben ik nu al even het huis uit.

Eigenlijk had ik er nog nooit over nagedacht. Ik vond het perfect normaal dat je niet over een tapijt liep. Een tapijt moet gewoon liggen en mooi wezen. Dat was mijn waarheid. Maar sinds ik samenwoon met mijn lief, besef ik dat het ook anders kan. Dat er ook tapijten bestaan met meer dan alleen een kijkfunctie. Bij ons thuis wordt het ook effectief gebruikt. En soms zelfs misbruikt.

Ik herinner me nog hoe ik ’s avonds thuiskwam na een ellendige werkdag. Mijn lief zat op zijn gemak voor de tv. Een pita te eten. En een glaasje water te drinken. Hij keek zeer geconcentreerd naar de tv terwijl zijn hand het glas water zocht. Nog voor ik kon ingrijpen, zag ik hoe hij het ongelukkige glas water omver kegelde. Op de vloer. Op ons tapijt.

En ik heb het nog geprobeerd. Met alle relativerende kracht die ik bezit, heb ik geprobeerd de hysterie te bedwingen. Maar het lukte niet. Van diep in mijn buik voelde ik de woede opborrelen tot ik gloeiend rood uitriep:

“NIET DRINKEN OP HET TAPIJT! HOEVEEL KEER MOET IK DAT NU NOG ZEGGEN?!”

Ik stel u voor, het kind van mijn moeder.

Twee kamers, twee bedden, één relatie

relatiesleur2

“Ik ben duidelijk abnormaal”, zeg ik giechelend. Mijn vriendin aarzelt. Om nog wat bedenktijd te krijgen, neemt ze een slok van haar koffie. “Wel nee, ik ken nog koppels die het doen. Zorg er alleen voor dat het geen gewoonte wordt.” Ik dacht even dat ze me begreep.

Een gewoonte is het ondertussen wel. Mijn lief en ik slapen nog maar weinig samen nu we elk een aparte slaapkamer hebben. We konden het niet beter aanpakken, denk ik vaak. In elk geval lig ik niet meer gefrustreerd wakker naast een drilboor. “Maar ben je dan niet bang dat je uit elkaar groeit?” vraagt ze ietwat voorzichtig. Ik schrik een beetje maar probeer vastberaden te klinken: “Nee hoor, ’s morgens kruipen we gewoon gezellig bij elkaar. En ja, we hebben nog altijd stomende seks.” We moeten allebei luid lachen. En mijn vriendin is weer op haar gemak.

Terwijl ze even naar het toilet gaat, kijk ik rond. Aan een tafeltje naast mij zit een jong koppel. Zowel de man als de vrouw kijken op hun gsm. Ze zwijgen. De man lacht af en toe terwijl de vrouw zeer geconcentreerd een foto van haar koffie neemt. Dat doet ze behoorlijk lang. Hij lijkt het niet te merken. Wanneer ze klaar is, legt ze haar gsm aan de kant, drinkt haar koffie leeg en zucht diep. De man begrijpt het signaal onmiddellijk. Zonder opkijken, neemt hij zijn portefeuille en legt het geld bij de rekening. Ze staan recht en stappen naar buiten. Zonder te praten. Zonder elkaar aan te kijken. Zonder elkaar nog te zien.

Ondertussen is mijn vriendin terug. Ze schudt haar handen droog. “Er was geen papier bij de lavabo’s”. Ik negeer haar probleem en zeg: “Het moet toch erg zijn als je op je lief bent uitgekeken. Denk je niet?” Ze beaamt dat en zegt dat sleur in een relatie haar grootste angst is. Ik denk plots aan mijn eigen lief. Ik verlang ernaar om hem vanavond terug te zien. Tegelijkertijd kijk ik ook uit naar een moment voor mezelf. In mijn eigen bed. Met een boek of een serietje. Gevolgd door een zalige nachtrust. Dus de beste remedie tegen sleur in een relatie? Af en toe een beetje bewuster naast elkaar leven.

Manspreading

manspreading

“My balls, my balls, I don’t want my balls sticking to my legs” zegt een gigantische vrouw met ring door haar neustussenschot. Terwijl ze spreekt, trekt ze haar rechterkaak op om duidelijk te maken dat ze een irritante, stoere man nadoet. Van pure verbazing moet ik het filmpje al direct op pauze zetten. Ik zie echt het probleem niet. Logisch dat je als man geen geplette ballen wil, het moet vreselijk veel pijn doen. En het kan onvruchtbaarheid veroorzaken. Volgens de feministe is dat echter geen punt. Mannen moeten eindelijk eens stoppen met hun benen te spreiden op openbare plaatsen. Vrouwen hebben ook recht op een zitplaats op de bus, op het perron – of op god weet welke plaats waar een man beter niet zichzelf is. “What is it between their legs that is so important that it requires two or three seats?” Vraagt een tweede vrouw – die wel heel hard haar best doet om op een man te lijken – zich af. “Awel ja, die ballen he” hoor ik mezelf geërgerd tegen mijn scherm zeggen. Onderaan zie ik plots het logo van Buzzfeed verschijnen. Het was te peizen.

De feministen zijn zo overtuigd van hun gelijk dat ze hun punt bewijzen met veldonderzoek. Een week lang wagen ze zich aan ‘manspreading’. Met de benen open zitten ze oncomfortabel op de bus. Een van de drie doet het zelfs in een rok en geeft zo ongewild elke tegenstander de pap in de mond.  Mensen rondom hen raken geïrriteerd. Logisch. Maar nu voelen mannen tenminste hoe ergerlijk het is.

Die avond zit ik op café met een vriend. “Vrouwen willen op dezelfde manier behandeld worden als mannen maar de nadelen willen ze er wel niet bijnemen. Dan moeten ze ook de rekening leren betalen.” Hij had een etentje cadeau gedaan voor zijn vriendin en werd de dag nadien gedumpt omdat het meisje plots op zoek wil naar zichzelf. Ook heeft ze hiervoor een ongedefinieerde lengte aan tijd nodig. Mijn vriend is zo goed om haar die tijd te gunnen en neemt afstand. Want tijd voor haarzelf is tijd zonder hem. We weten allebei wanneer dit zal eindigen. Op het moment dat hij zijn eigenwaarde heeft teruggevonden.

Na vier drankjes merkt hij een knappe vrouw op aan de andere kant van de toog. Ze glimlacht naar hem en kijkt dan snel naar beneden. Voor mij is het duidelijk, deze vrouw is klaar voor de nacht van haar leven. Daar is hij nog niet zo zeker van. Hij kent de vrouwen, ze haken af wanneer het te plezant wordt. Na een dik kwartier peptalk mijnentwege stapt hij toch op haar af. Ze raken aan de praat en lachen. Hij amuseert zich, zij krijgt de aandacht waar ze naar hengelt. Ik voel me geleidelijk aan overbodig worden in de ruimte maar dat is oké. Het betekent dat ik mijn taak als wingman goed heb volbracht. Ik verlaat het café dan ook zonder salut te zeggen.

Wanneer ik thuis ben, stuur ik nog een sms: “Niet te veel nadenken. #yolo #carpethebitches”. Hij antwoordt dat het een vrouw naar zijn hart is want ze zijn al onderweg naar zijn appartement. Amai, dat ging vlot, denk ik. Of moet ik zeggen ‘te vlot’? Wel neen, ook in 2017 zijn het opnieuw de enkelingen die het moeten redden voor een hele groep. Dat kan ook nog op andere manieren: door een man aan te sporen zijn paar ballen eer aan te doen. Of nog simpeler. Door een dislikeknop in te drukken bij een achterhaald youtubefilmpje.

Wie wordt nu kwaad op een banaan?

bananenpak

Ik ben een grote fan van verkleedfeestjes. Op de een of andere manier leiden ze altijd tot ongeremd topamusement. Daar is volgens mij maar één verklaring voor. Je kunt je simpelweg meer permitteren in een belachelijk kostuum dan in deftige avondkledij. Je hoeft je nergens voor te schamen. Alles kan, alles mag en iedereen kan zich veilig verstoppen achter een personage. Nooit eerder geziene taferelen dienen zich aan: Kabouter Plop komt plots weg met seksistische uitspraken en cowboys en indianen draaien elkaar een tong. Persoonlijk zou ik graag eens in een bananenkostuum naar een feestje gaan. Dan zou ik pas echt mijn gedacht zeggen. Gewoon omdat het kan. En omdat niemand kwaad zou worden op een dikke banaan.

Die gedachte kwam onlangs in me op tijdens een busrit met lijn 58 van Gent naar Maldegem. Die rit duurt gewoonlijk 1 uur en 15 minuten omdat de bus op allerlei verafgelegen plaatsen stopt. Zo passeert hij bijvoorbeeld in Eeklo, een stad die bekend staat om zijn marginaliteit. Het is altijd spannend wanneer je de haltes in Eeklo nadert. Meestal krijg je vanaf dan gezelschap van dronkenlappen. Ze prijzen zich vol zelfvertrouwen aan, niet wetende dat vrouwen geen natte foef krijgen van de geur van alcohol, oud zweet en Bastos sigaretten.

Gelukkig verliep het dit weekend anders. Aan het station stapte een groep bevriende Eeklonaars op, onder wie een man met zijn twee kinderen. De kinderen droegen een Dracula-kostuum. Ik schrok even toen ik hun gezicht in de weerspiegeling van het venster zag. De vader was kaal, had flaporen en droeg een Adidas-vestje van het old school type. Hij nam plaats tegenover mij. Zijn vrienden gingen op verschillende plaatsen zitten alsof ze al jaren een vaste plek hadden en daar ook nu niet van wilden afwijken. Omdat ze zo ver van elkaar zaten, moesten ze luid praten. Algauw ontstond een geanimeerde conversatie. De vrienden vroegen de man waarom hij zelf niet verkleed was voor Halloween. Vooraleer hij iets kon zeggen, gaven ze het antwoord al: omdat hij er al griezelig genoeg uitziet met ‘zijn koale biewde’ (lees: zijn kale knikker). Iedereen lag dubbel. De man ook. Toch voelde hij de noodzaak om zich te verdedigen. “Ik kan iets wat jullie niet kunnen. Ik kan mijn hoofd in een vrouw steken. Ik trek een condoom over mijn kop en hop, ik ga binnen.” Zijn vrienden bereikten een hoogtepunt. Het lachgebrul kwam van diep in de keel en ging bij iedereen spontaan over in een rokershoestbui.

Ook reizigers die niet tot het selecte groepje behoorden, lachten naar elkaar. Iedereen begreep de situatie. Ook ik kon me moeilijk inhouden en voelde plots veel sympathie voor die man. Zijn vuile praat klonk allesbehalve beledigend. Ik was zelfs een beetje jaloers op zijn boertige uitspraken en de spontaniteit waarmee hij ze verkondigde. Vooral omdat hij ze kon zeggen zonder bananenkostuum.