Niets mis met een klassiek pruimenfest!

Als ik naar een vrijgezellenfeestje moet, hoop ik altijd op een klassiek pruimenfest zonder al te veel originaliteit. De volgende basisingrediënten volstaan: eten, drinken en babbelen. Concreet gaat het om: luisteren naar elkaars kleine gebreken, food- en beautytips uitwisselen en aangeschoten lachen met het feit dat we nog steeds niet weten hoe we series moeten downloaden. Op en top girly stuff. Heerlijk.

Maar.

Het vraagt moed om een goed concept simpel te houden. We willen onszelf te vaak heruitvinden. Daardoor kan een vrijgezellenparty twee richtingen uitgaan.

1) De gezelligheid wordt compleet uitgemolken en het feestje krijgt de naam ‘cosy fluffy pyjama party’. De bijkomende ingrediënten zijn: Uno, Bob-it en een pyjama die zelfs duplo mannetjes zouden omschrijven als ‘te uniseks’. Hierbij neemt het giechelen extreem hoge frequenties aan.

OF

2) Het feestje is totaal geen ode aan het gezellig vrouwzijn maar een wraakactie tegen mannen in de strijd om gelijk genot. Er worden dan vaak foute beslissingen genomen. Mannen worden geleverd op bestelling, in de vorm van een stripact en gereduceerd tot lustobject.

Op zich, ook een goed concept. Maar eerlijk gezegd vraag ik me af of wij daar echt van genieten. Meestal voelt iedereen zich oncomfortabel en wordt met de toekomstige bruid gelachen omdat ze zich geen blijf weet in de rol van handtastelijke viezerik. Ik weet niet of ik een strijd wil winnen als ik me erdoor ongemakkelijk voel. Dan kruip ik veel liever in een fluffy pyjama.

Cosy fluffy pyjama party: (de, v, meervoud: niet aan beginnen, kan dodelijk zijn)
1. feestje georganiseerd door vrouwen, ontstaan uit goede intenties maar stuit vaak op ergernis.
2. feestje georganiseerd door vrouwen met de bedoeling om elke associatie met ‘de vrouw als aantrekkelijk wezen’ uit te sluiten. Het is in feite ook een wraakactie tegen mannen.

Advertenties

Sla mij!

Als kind moest ik het vaak ‘gaan uitleggen bij de directeur’. De reden? Ik had weer eens boel met een vriendin. Gelukkig was ik dus nooit alleen, we waren altijd met twee. Soms zelfs met drie. Tegen dat we bij zijn kantoor aankwamen, wisten we meestal niet meer waarom we boos waren. Had ik háár beste vriendin afgepakt? Zij de mijne? Of was een van ons de afgepakte speelbal in de bezitterige strijd?

Een constructief gesprek kon je het niet noemen. Het bestond vooral uit eenrichtingsverkeer van de directeur. Hoopte hij op interactie, dan was hij eraan voor de moeite want mijn vriendinnen en ik zwegen. Dat konden we goed: zwijgen en de frustratie in onszelf opbouwen. Daarom vroeg de directeur of we onze tong hadden ingeslikt. We lachten dan wat onwennig. Maar meer input kreeg hij niet. Dus om ervan af te zijn, gaf hij ons een opdracht mee: ‘Denk er thuis nog maar eens goed over na. En probeer elkaar een beetje te accepteren. Niemand heeft graag ruzie.’

Terwijl ik luisterde naar zijn advies, dwaalde mijn aandacht af. Naar buiten. Naar de jongens op de speelplaats. Als ze ons niet stonden uit te lachen voor het raam, waren ze zelf boel aan het maken. Meestal had een groepje etters de bal afgepakt en liep de rest hen achterna. Eenmaal tot stilstand gekomen, schopten ze erop los, duwden elkaar op de grond en sloegen elkaar in het gezicht. Met bloedneuzen tot gevolg. Hoe barbaars. En het zotste van al was dat ze daarna gewoon weer verder speelden, alsof er niets was gebeurd.

Thuis deed ik echt mijn best om nog eens na te denken over mijn ruzie. Niet zomaar nadenken, neen, eens echt GOED nadenken. Maar het werd me nooit helemaal duidelijk wat ik precies verkeerd had gedaan. Ik kon de aanloop naar de ruzie simpelweg niet reconstrueren. Het enige wat ik wou, was een manier om een einde te maken aan het conflict. Zodat we niet langer moesten zwijgen. Zodat de frustratie eruit kon. En zodat we opnieuw verder konden met ons leven. Daarom hoopte ik vurig op een opwachting aan de schoolpoort, een massagevecht op de speelplaats of gewoon een slag in mijn gezicht. Het liefst met bloedneus tot gevolg.

Ken je de Indianen?

‘Mag ik iets vragen?’ Ik draai me om. In het treinzitje links van mij zit een knappe gast van rond de 30. ‘Wat voor werk doe je?’ Ik zeg dat ik in het onderwijs sta. ‘Dan moet je wel heel maatschappijkritisch zijn’. De snelle conclusie overvalt me en een nietszeggende ‘goh ja’ ontsnapt mijn mond.

Hij is maar even in België voor een familiebezoek. Daarna trekt hij opnieuw de wereld rond want hij voelt zich niet op zijn gemak in België. Meer nog, hij is kwaad op België. En eigenlijk ook op de wereld. Op de kapitalistische wereld vooral. Verder wil hij niets weten van economie. Hij is zelfs tegen economie. En tegen politiek.

‘Wat denk je over culturen?’ Geen idee hoe ik hierop moet antwoorden. Stel je voor dat je zo’n vraag krijgt op een examen. Daar is geen beginnen aan. Nog voor ik iets kan zeggen, antwoordt hij dat we maar beter respect hebben voor de culturele diversiteit. Vooral voor de cultuur van de Indianen. ‘Ken je de Indianen?’ Antwoorden wordt nu echt totaal overbodig. Zeker wanneer hij een paar zinnen later kwaad is op alle buitenlanders in ons land. Deze man is zo rechts als hij links is. En zo koud als hij warm is.

Nog voor hij van wal steekt over de verdwijning van individualiteit, kondigt de conducteur mijn halte aan. Ik spring recht. De voormalige knappe gast grijpt me bij de arm. Dat ik op Facebook zeker Peter Lie moet opzoeken. Ik bedank hem vriendelijk en maak me snel uit de voeten.

Op het perron kijk ik toch even op Facebook. Precies wat ik had verwacht: een omslagfoto van een panoramisch landschap waar hij als minimens tegen afsteekt. Ik ben opgelucht omdat ik niet langer in zijn buurt ben. En vooral omdat ik niet te veel heb bijgeleerd.

PS Uit respect voor de persoon in kwestie, heb ik de naam verzonnen. Het toeval wil nu dat deze verzonnen persoon ook effectief bestaat en ook echt een omslagfoto heeft met een panoramisch landschap. De populariteit ervan is simpelweg niet te overzien.

Helaas, ik word nooit een echte ‘foodie’

We zijn vroeg opgestaan. Belachelijk vroeg eigenlijk voor een zondag. Maar zo hoort het. Want een volmaakt zondags ontbijt begint al rond half negen en duurt zeker een uur. Dat hebben mijn vriendinnen me verteld. En aangezien ze echt wel ‘foodies’ zijn die ‘drukgelikete’ foto’s maken van gezellige eetmomenten, volg ik maar beter hun protocol.

We zitten tegenover elkaar aan tafel, mijn lief en ik. Normaal gezien doen we dat bijna nooit, zo samen ontbijten. Het gebeurt gewoon niet. Ofwel sta ik vroeg op en slaapt hij uit. Ofwel sta ik wat later op en slaapt hij uit – Jezus, hij kan werkelijk altijd uitslapen. Maar volgens mijn vriendinnen is het de gezelligste maaltijd van de dag en moet je er samen tijd voor vrijmaken.

Ik heb eitjes met spek gemaakt. Dan hebben we zeker tot de avond geen honger meer. Behalve dat het eten lekker smaakt, zegt mijn lief niets. Ik ook niet. Ik concentreer me op de maaltijd. Omdat ik altijd kaas op mijn omelet doe, moet ik moeite doen om de lange, rekbare kaasslierten keurig in mijn mond te krijgen. Af en toe valt een stukje ei van mijn vork op mijn bord en moet ik opnieuw beginnen. Dat gebeurt een paar keer tot ik plots stop.

Oh nee, denk ik. Dit gaat de verkeerde richting uit. We zijn nog geen vijf minuten ver en drie kwart van ons bord is al leeg. De tafel is op twee borden, een pan en een fles water na, praktisch leeg. Dit zou niet mogen. Hier zou een uitgebreid gamma aan beleg, een schaal met fruit, zelfgemaakte granola, een berg koffiekoeken en een pot pindakaas moeten staan. Ook zouden we boterhammen in koffie moeten dippen terwijl we elk een rubriek van de krant voor onze neus hebben. En we zouden interessante topics uit diezelfde krant moeten toelichten en naar elkaars mening moeten vragen en en en …

De paniek bereikt een hoogtepunt. ‘Zullen we dan nooit meer uitgebreid gezellig ontbijten?’ Mijn lief barst in lachen uit en zegt dat we dan alleen maar ‘fat’ zouden worden. Ik ben een beetje teleurgesteld maar begrijp het wel. Ik ruim de tafel af, zet de borden in de gootsteen en ga samen met hem in de zetel zitten. ‘Kijken we Netflix?’ vraagt hij. Waarom ook niet, denk ik. Het kan maar zo gezellig zijn. En ik zal me goed kunnen concentreren. Met koffiekoeken in mijn maag zou dat wellicht een ander verhaal zijn.

Eerlijk? Ik zie enkel een penis

De zaal lijkt op een gigantische living met open keuken. Koffietassen en onderbordjes staan proper gestapeld op het aanrecht. Witte plastic terrasstoelen omsluiten de scène. Ware het niet dat ik wist dat hier straks een theatervoorstelling plaatsvond, ik zou denken dat het Davidsfonds een maandelijkse bijeenkomst hield. Ook omdat de gemiddelde toeschouwer hier boven de 60 is. Onder hen zie ik vooral vrouwen. Helemaal uitgedost voor de gelegenheid. Voor het blije weerzien. Voor het ‘klapke’ en het ‘taske kaffe’. Hopelijk tolereren ze de voorstelling, denk ik heimelijk.

Mijn moeder en tante willen helemaal vooraan zitten. Ik niet. Als ik naar theater ga, wil ik een plaatsje dicht bij de uitgang zodat ik onopvallend snel kan weggaan. Je weet nooit dat er een brand uitbreekt of dat ik dringend naar het toilet moet. Ik zet me achteraan en heb van hieruit een goed overzicht over het publiek. Nu alleen nog hopen op reacties van verwarring bij gewaagde dramaturgische ingrepen.

De acteur zal een kwartier later beginnen. Tot grote ergernis van de club bomma’s. Ze raken zichtbaar geïrriteerd maar eigenlijk weet ik dat ze stil genieten. Ze praten met luide, geagiteerde stem tot plots het licht uitgaat en alles muisstil wordt.

De acteur komt op in een lange zwarte jas, een typisch Russische Sovjetmantel. Hij doet zijn schoenen uit, trekt een witte broodzak over zijn hoofd en rukt de jas van zijn lijf. Daar staat hij dan. Poedelnaakt. Veel te dicht bij het publiek waarvan de helft al snel naar de eigen voeten staart. Hier en daar hengelt een bomma naar een afkeurende blik. Ik moet mezelf tegenhouden om niet in lachen uit te barsten en beeld me in wat de acteur moet hebben gedacht toen hij de menigte vanuit de coulissen bekeek: shit dit publiek. Praktisch alleen gepensioneerden. Kill me now.

Met een aardappelmesje snijdt hij een gat onderaan de zak zodat fake bloed over zijn lijf loopt. Het druppelt langs zijn borst, op zijn penis. Tegelijkertijd slaakt hij een paar kreten, roept iets over de afgesneden bal van Hitler en opent een luik van de Russische geschiedenis. Helaas hoor ik amper wat hij zegt. Ongewild ben ik plots in een persoonlijk experiment gestapt. Ik kan alleen nog naar zijn penis kijken. Ik kan er niets aan doen, het is simpelweg het enige wat mijn aandacht trekt. Terwijl ik kijk, vraag ik me af: het zien van een penis, zonder gezicht. Doet dat iets met mij? Word ik opgewonden? Voel ik me aangevallen? Ben ik jaloers?

Vooraleer ik tot een deftige conclusie kom, verandert de scène abrupt. De acteur trekt zijn jas aan, gaat op een stoel zitten en begint haastig aan zijn monoloog. Ik ben even verward en kan me nog moeilijk focussen op de inhoud. Ik kijk rond. De bomma’s staren niet langer naar hun voeten. Ze hebben de acteur een tweede kans gegeven. Ook mijn moeder en tante lijken op hun gemak en lachen om de eerste gevatte oneliner. Opeens voel ik me opgelucht. Omdat het ongemakkelijke moment is afgelopen. En ook vooral omdat ik niet naast hen zit.

Shit, ik begin op mijn moeder te lijken!

“LOOP ROND HET TAPIJT, ANDERS KOMEN ER STREPEN IN! HOEVEEL KEER MOET IK DAT NU NOG ZEGGEN?!”

Ik stel u voor, mijn moeder.

Hoewel ik deze zinnen nog geregeld als een mantra in mijn achterhoofd hoor, sta ik toch versteld. Ze kijkt me aan met grote ogen die me duidelijk maken dat ik het maar beter niet vergeet. Ook al ben ik nu al even het huis uit.

Eigenlijk had ik er nog nooit over nagedacht. Ik vond het perfect normaal dat je niet over een tapijt liep. Een tapijt moet gewoon liggen en mooi wezen. Dat was mijn waarheid. Maar sinds ik samenwoon met mijn lief, besef ik dat het ook anders kan. Dat er ook tapijten bestaan met meer dan alleen een kijkfunctie. Bij ons thuis wordt het ook effectief gebruikt. En soms zelfs misbruikt.

Ik herinner me nog hoe ik ’s avonds thuiskwam na een ellendige werkdag. Mijn lief zat op zijn gemak voor de tv. Een pita te eten. En een glaasje water te drinken. Hij keek zeer geconcentreerd naar de tv terwijl zijn hand het glas water zocht. Nog voor ik kon ingrijpen, zag ik hoe hij het ongelukkige glas water omver kegelde. Op de vloer. Op ons tapijt.

En ik heb het nog geprobeerd. Met alle relativerende kracht die ik bezit, heb ik geprobeerd de hysterie te bedwingen. Maar het lukte niet. Van diep in mijn buik voelde ik de woede opborrelen tot ik gloeiend rood uitriep:

“NIET DRINKEN OP HET TAPIJT! HOEVEEL KEER MOET IK DAT NU NOG ZEGGEN?!”

Ik stel u voor, het kind van mijn moeder.

Twee kamers, twee bedden, één relatie

“Ik ben duidelijk abnormaal”, zeg ik giechelend. Mijn vriendin aarzelt. Om nog wat bedenktijd te krijgen, neemt ze een slok van haar koffie. “Wel nee, ik ken nog koppels die het doen. Zorg er alleen voor dat het geen gewoonte wordt.” Ik dacht even dat ze me begreep.

Een gewoonte is het ondertussen wel. Mijn lief en ik slapen nog maar weinig samen nu we elk een aparte slaapkamer hebben. We konden het niet beter aanpakken, denk ik vaak. In elk geval lig ik niet meer gefrustreerd wakker naast een drilboor. “Maar ben je dan niet bang dat je uit elkaar groeit?” vraagt ze ietwat voorzichtig. Ik schrik een beetje maar probeer vastberaden te klinken: “Nee hoor, ’s morgens kruipen we gewoon gezellig bij elkaar. En ja, we hebben nog altijd stomende seks.” We moeten allebei luid lachen. En mijn vriendin is weer op haar gemak.

Terwijl ze even naar het toilet gaat, kijk ik rond. Aan een tafeltje naast mij zit een jong koppel. Zowel de man als de vrouw kijken op hun gsm. Ze zwijgen. De man lacht af en toe terwijl de vrouw zeer geconcentreerd een foto van haar koffie neemt. Dat doet ze behoorlijk lang. Hij lijkt het niet te merken. Wanneer ze klaar is, legt ze haar gsm aan de kant, drinkt haar koffie leeg en zucht diep. De man begrijpt het signaal onmiddellijk. Zonder opkijken, neemt hij zijn portefeuille en legt het geld bij de rekening. Ze staan recht en stappen naar buiten. Zonder te praten. Zonder elkaar aan te kijken. Zonder elkaar nog te zien.

Ondertussen is mijn vriendin terug. Ze schudt haar handen droog. “Er was geen papier bij de lavabo’s”. Ik negeer haar probleem en zeg: “Het moet toch erg zijn als je op je lief bent uitgekeken. Denk je niet?” Ze beaamt dat en zegt dat sleur in een relatie haar grootste angst is. Ik denk plots aan mijn eigen lief. Ik verlang ernaar om hem vanavond terug te zien. Tegelijkertijd kijk ik ook uit naar een moment voor mezelf. In mijn eigen bed. Met een boek of een serietje. Gevolgd door een zalige nachtrust. Dus de beste remedie tegen sleur in een relatie? Af en toe een beetje bewuster naast elkaar leven.